Hout, vlas, olifantsgras en andere plantaardige grondstoffen winnen terrein in de bouw. Niet zonder reden: biobased bouwmaterialen kunnen een belangrijke rol spelen in de strijd tegen klimaatverandering. Maar hoe duurzaam zijn deze materialen werkelijk? En hoe verhouden ze zich tot traditionele bouwmaterialen als beton en kunststof?
Die vragen stonden centraal in een recent onderzoek van Wageningen University & Research (WUR), uitgevoerd in samenwerking met IA Bouwkunde, Agrodome, Centrum Hout en de Stichting Nationale MilieuDatabase (NMD). De resultaten zijn duidelijk: bouwen met biobased materialen leidt tot een aanzienlijke verlaging van de milieu-impact van woningen — met gemiddeld 18 tot 33 procent ten opzichte van conventionele bouwmethoden.
Woningen als meetinstrument
Om een eerlijke vergelijking te maken, analyseerde WUR drie referentiewoningen: een tussenwoning, een tweekapper en een appartement. Voor elk woningtype werd de milieu-impact vergeleken bij toepassing van biobased materialen (zoals houtskeletbouw en Cross Laminated Timber) versus gangbare materialen (zoals beton en kalkzandsteen). Hierbij werd gekeken naar de volledige levenscyclus van materialen: van productie en transport tot verwerking, gebruik en einde levensduur.
De uitkomst was consistent: biobased bouwmaterialen scoren structureel beter op de zogeheten milieuprestatie (MPG). Dat komt deels door de intrinsiek lagere uitstoot tijdens productie, maar ook door praktische voordelen. “Biobased materialen zijn lichter, waardoor bijvoorbeeld ook de fundering minder zwaar hoeft te zijn,” legt projectleider Martien van den Oever (WUR) uit. “Dat vertaalt zich in extra milieuwinst.”
De rol van biogene koolstofopslag
Een belangrijk onderdeel van het onderzoek betrof de zogeheten biogene koolstof: de CO₂ die tijdens de groei van planten wordt vastgelegd en (tijdelijk) wordt opgeslagen in het eindproduct. Wordt vlas of hout verwerkt in een bouwmateriaal, dan blijft die koolstof soms decennialang opgeslagen — tot wel 75 jaar of langer. Dit effect wordt in veel milieurekeningen niet meegerekend, terwijl het in de praktijk wél bijdraagt aan emissiereductie.
“Die tijdelijke opslag is geen oplossing op de lange termijn,” nuanceert Van den Oever. “Maar het geeft ons kostbare tijd om structurele oplossingen te ontwikkelen voor klimaatverandering.”
Verstopt in de database
Een groot probleem is dat veel biobased bouwmaterialen simpelweg nog ontbreken in de Nationale MilieuDatabase (NMD). Zonder opname kunnen architecten en projectontwikkelaars deze materialen niet meenemen in hun MPG-berekeningen, die steeds vaker als gunningscriterium worden gebruikt bij bouwprojecten.
“Veel biobased producten worden ontwikkeld door kleinere partijen, in relatief kleine oplages,” aldus Van den Oever. “Die richten zich logischerwijs op productie en afzet, maar het in kaart brengen van de milieu-impact blijft vaak achter.”
Daarom werkte WUR in dit project ook aan LCA’s (levenscyclusanalyses) voor dertien biobased producten die nog niet in de NMD stonden. Ook werd er een uniforme rekenmethode opgesteld om CO₂-opslag correct mee te kunnen nemen.
Tegenstrijdige regelgeving
Waar Nederland relatief ver gaat in het meenemen van meerdere milieu-impactcategorieën in de MPG-berekening, ontbreekt juist een cruciale factor: de biogene koolstofopslag. Die wordt in de huidige berekeningen niet erkend, ondanks het feit dat die tijdelijk een belangrijke bijdrage kan leveren aan emissiereductie.
Om daar verandering in te brengen, werkt WUR aan een voorstel voor een waarderingsformule die CO₂-opslag op een uniforme manier meeneemt in de milieuprestatieberekening. De voorgestelde tijdshorizon is 100 jaar — gelijk aan wat gangbaar is bij LCA’s rond klimaatimpact.
“Het is opmerkelijk dat Nederland minder zekere categorieën meerekent, maar iets meetbaars als CO₂-opslag buiten beschouwing laat,” stelt Van den Oever.
Bron: WUR